192 Radio player
192 Radio player

NUGGETS – zoektocht naar onbekende goudklompjes uit de pophistorie – vrijdag 2 okt 22-23 u

Op de draaitafel

  • Johnny Holiday – Nobody Loves Me But My Mama (1969)
  • Water – Holiday (Hideaway) (1975)
  • The Youngbloods – Get Together (1967)
  • Ellen McIlwaine – Can’t Find My Way Home (1972)
  • Soft Machine – Hope For Happiness (1968)
  • Electric Flag – Soul Searchin’ (1969)
  • Redbone – Suzie Girl (1974)
  • Eddie & Ernie – I’m Going for Myself (1964)
  • Alexander Curly – Zilverdael (1977)
  • King Size Taylor & The Dominoes – Stupidity (1964)
  • The Elegants – Little Star (1958)
    Axis – Someone (1972)
  • Ron Elliott – Deep River Runs Blue (1969)
  • Ekseption – Another History (1972)
  • The Precisions – If This Is Love (I’d Rather Be Lonely) (1967)

The Soft Machine – Hope For Happiness

voor velen een onbekende of een inmiddels vergeten naam. Toch maf, want eind jaren zestig, begin zeventig behoorde de band tot de top in de progressieve rock. Begonnen als psychedelisch band met avant-gardejazz invloeden en daarmee één van de grondleggers van The Canterbury Sound, kreeg de jazz steeds meer de overhand om zo verder te evolueren tot pure jazzrock.

De oervader van het Canterburygeluid is de Australiër Daevid Allen. Doordat hij een kamer huurde in het huis van de ouders van Robert Wyatt kwamen die twee met elkaar in contact, waarop Wyatt achter de trommels kroop. In 1965 startten zij Mister Head, dat alras tot The Soft Machine werd omgedoopt, naar het boek van William Burroughs. Daarin ook Kevin Ayers en Mike Ratledge. Nadat Allen na een verblijf in Frankrijk Groot Brittannië niet meer in mocht vanwege zijn verlopen visum, nam het overgebleven trio het eerste album The Soft Machine op. Allen maakte zich in Parijs nuttig door Gong op te richten, het Frans-Britse hippie gezelschap dat eveneens tot de Canterbury Scene werd gerekend.

The Soft Machine is eigenlijk een standaard album, ondanks het behoorlijk experimentele geluid en de dadaïstische teksten. Er staan een paar schitterende nummers op zoals het sacrale A Certain Kind en het wat toegankelijker Why Are We Sleeping en Hope for Happiness. Ook We Did it Again staat erop; de oorspronkelijk versie duurt bijna vier minuten, maar live kon dat oplopen tot drie kwartier, waarbij het repeterende refrein We Did It Again hypnotiserende vormen aannam. De sixties, weet-je-wel.

Axis – Someone

muzikaal gezien horen we tegenwoordig weinig meer uit Hellas, maar er was een periode dat de Griekse muziek regelmatig de Top 40 bestormde en dan heb ik het niet over Trio Hellenique met Zorba’s Dance. Eind jaren zestig en begin jaren zeventig was Aphrodite’s Child met onder andere Demis Roussos en Vangelis Papathanassiou heel succesvol met hun psychedelische en progressieve muziek. Maar eigenlijk bestond de band eind 1970 al niet meer en daarom kwam het vanaf zomer 1971 regelmatig voor dat Demis Roussoseveneens in de Top 40 stond. Drie jaar lang kon je geen gratis exemplaar van de wekelijkse hitlijst bij de platenboer ophalen of hij stond er wel in met de een of andere tranentrekker.

Net als Aphrodite’s Child verkaste de band Axis vanwege de dictatuur van Griekenland naar Frankrijk. In 1971 komt hun eerste album uit, maar deze trekt – anders dan de enorme afro van de zanger/organist – nauwelijks aandacht met een combinatie van Uriah Heep-achtige rock en pop. De opvolger van begin 1972 levert met een folkachtig lied (Ela Ela) een grote (meezing)hit op, maar het album is zwalkend en de mannen lijken geen keuze te kunnen maken. Wanneer ze uiteindelijk de keuze maken voor een mix van progrock, canturbury jazz-rock en fusion haakt het platen-kopende publiek af (en dat is jammer, want juist dit album is het beste van de drie). In 1974 stopt de band definitief. Echter, tussen het tweede en derde album brengt Axis nog een singletje uit: Someone. Een liedje over de zoektocht naar de ware liefde en het vinden van de soulmate.

Voor vragen of opmerkingen over Nuggets staat twitter open: #trickydickradio